Koorstuk Obadja

Op 30 juni 2026 heeft kinderkoor Obadja opgetreden in de Cunerakerk in Rhenen. Tijdens dit concert is o.a. koorstuk Obadja gezongen. De tekst van dit koorstuk is van de hand van Ed Kooijmans, de muziek is gecomponeerd door Leander van der Steen. Dirigent: Hendrik Bouw Organist: Jasper Huibers Trombone: Maurits Willemsen Cello: Geert Pul Viool: Inge Visser Tenor: Sebastiaan van Lingen Sopraan: Marianne Colenbrander Beeld en geluid: PKN Rhenen Hoofdstukken 00:00 Obadja - Deel 1: Een goddeloze koning 05:25 Obadja - Deel 2: Een godvrezende Obadja 10:03 Obadja - Deel 3: Een gevaarlijke ontmoeting 13:06 Obadja - Deel 4: Een zekere overwinning 17:09 Obadja - Deel 5: Slot Deel 1: Een goddeloze koning  Koor  Israël heeft God vergeten,  wil niet van Zijn wetten weten.  Koning Achab gaat hun voor   op dit goddeloze spoor.  Hij veracht de dienst des Heeren,  gaat de Baäl zelfs vereren,  ja, hij geeft die afgod eer,  buigt zich voor zijn altaar neer.  Om Izebel te behagen  laat hij doden en verjagen  Gods profeten uit het land:  zo maakt hij Gods volk tot schand.  Sopraan  Toen zei Elia, de Thisbiet, tot Achab:  Tenor  ‘Zo waarachtig als de Heere, de God Israëls, leeft,  voor Wiens aangezicht ik sta,  er zal geen dauw of regen meer zijn,  tenzij naar mijn woord.’  Sopraan  Drie jaar blijft het daarna droog,  God is Rechter van omhoog,  zodat al het gras verdort   en het land onvruchtbaar wordt.  Maar God wil Zijn knecht behoeden,  laat hem door de raven voeden.  Zo regeert de Heer’ alom,  over al het heidendom.   Koor  God, de HEER’, regeert!  Beeft, gij volken, eert,  Eert Zijn hoog bestel,  Die bij Israël  Tussen Cherubs woont,  En Zijn grootheid toont;  Dat zich d’aard bewege;  Hij is Isrels zege!  Deel 2: Een godvrezende Obadja  Koor  Buigt dan iedereen de knie?  Is er niemand over, die  voor de Baäl niet wil knielen?  Ja toch: zeven duizend zielen!  Sopraan  Ook Obadja hoort daarbij,  vroeg vanaf zijn jeugd mag hij  God de Heere, vrezen, eren,    al moet hij aan ’t hof verkeren.  Koor  Hij verbergt diep in een grot  honderd dienstknechten van God.  Daag’lijks brengt hij die profeten  water, brood om van te eten.  Sopraan  Alzo zegt de Heere: ‘Ik heb in Israël laten overblijven   zevenduizend knieën die voor Baäl niet hebben gebogen.   Zevenduizend monden die hem niet hebben gekust.’  Koor en tenor  Maar trouwe God, Gij zijt  Het schild dat mij bevrijdt,  Mijn eer, mijn vast betrouwen.  ‘U ziet mij aan in deze grot,  wil mij bewaren, trouwe God.’   Op U vest ik het oog,   Gij heft mijn hoofd omhoog  En doet m‘ Uw gunst aanschouwen.  ‘Heer’, ik breng Uw profeten brood,   red Gij hun leven van de dood.’  ‘k Riep God niet vrucht’loos aan,  Hij wil mij niet versmaân  In al mijn tegenheden.  ‘Ik weet, dat U steeds aan ons denkt,  en in Uw gunst verlossing schenkt.‘  Hij zag van Sion neer,  De woonplaats van Zijn eer,  En hoorde mijn gebeden.  Deel 3: Een gevaarlijke ontmoeting  Koor  Door heel het land in alle hoeken  gaan Achab en Obadja zoeken,  of ergens gras te vinden is,  want anders sterft het vee gewis.  Maar na drie droge, dorre jaren  gaat God Zijn almacht openbaren.  ‘Ga heen, Elia, spoed u voort,  verkondig Achab ’s Heeren woord.’  Sopraan  Toen nu Obadja onderweg was, kwam Elia hem tegemoet,  die tot hem zei:   Tenor  ‘Ga heen, zeg uw heer: Zie Elia is hier.’  ‘Ach heer, wat heb ik misdaan,  dat ik naar Achab moet gaan  om die boodschap door te geven?  Dat zal ik niet overleven.    Wil uw dienstknecht toch ontzien,  daar ik God van jongs af dien.’  Sopraan  Maar Elia zei:  Tenor  ‘Zo waarachtig als God leeft,  voor Wiens aangezicht ik sta,  weet dat God bevolen heeft,  dat ik mij vertonen ga.’  Sopraan  Toen ging Obadja Achab tegemoet  en zegde het hem aan.  Deel 4: Een zekere overwinning  Sopraan  Daar komt hij de koning tegen:  Tenor  ‘Luister koning, God schenkt regen.  Zeg het alle mensen aan,  dat zij naar de Karmel gaan;  Koor  Daar zal God ons Zelf bewijzen  wie wij moeten dienen, prijzen.  Baäl of de Heere God,  in Wiens hand berust ons lot.’   Tenor  Op de berg, voor aller ogen,  toont God Zijn geducht vermogen:  vuur daalt uit de hemel neer  op het altaar, tot Zijn eer.  Koor  ‘God is Heere! God is Heere!’,  roept het volk, ‘elk moet Hem eren.’  Baäls ganse priestermacht   wordt te Karmel omgebracht. .  Koor  God, Die helpt in nood,  Is in Sion groot;  Aller volken macht  Niets bij Hem geacht;  Buigt u dan in ’t stof,  En verheft met lof  ’t Heilig Opperwezen,  Wilt Het eeuwig vrezen.  Deel 5: Slot  Allen  Nu wij, Heere, voor U staan,  zie ons in genade aan.  Laat ons, ook al zijn wij klein,  in Uw naam Obadja’s zijn.  Geef ons met Elia kracht  tegen satans overmacht.  Laat ons voor U leven, Heer’,           amen, God, Uw naam ter eer!